Maureen Janice Baartman

De Ode

Olijfboom St. Helena

Ze voelde zich oud, ze voelde zich eenzaam. En ze wás eenzaam, want ze was de laatste van haar soort. Na haar zouden ze definitief van deze aardbodem verdwenen zijn. Ze keek naar haar mooie, slanke bladeren en haar wulps gevormde stam.

Ze verborg haar tranen, terwijl haar gedachten zich als een olievlek door haar aderen verspreidden. Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Wat hebben we verkeerd gedaan? Waarom zijn we al die tijd dan ook zo kieskeurig geweest?

Stuk voor stuk vonden ze maar 1 op de 100 soortgenootjes geschikt genoeg om nageslacht mee in de wereld te zetten: stevig, met de wortels diep in moeder aarde. Het waren prachtige nakomelingen geweest, dat wel. Allemaal even knap, en slim. Maar ja, in deze harde wereld stelt men kwantiteit nou eenmaal boven kwaliteit. Variatie is de sleutel tot succes en daaronder behoren ook de – in haar ogen - miskleunen. Bah! 

En toch… Ze waren gewoon veel te eigenzinnig geweest. Te denken dat ze alles beter wisten. En nu? Nu niets meer. Spoedig zou de tijd rijp zijn om deze wereld te verlaten.

Bij de gedachte dat ze door andere, ondergeschikte soorten in de kringloop van het leven zou worden opgenomen, walgde ze even. Een oude gewoonte. Toch had ze het te accepteren. Het werd een voldongen feit. Ze wierp haar eerzucht van zich af, zuchtte nog eenmaal, en liet haar blaadjes hangen. Ze gaf zich. Aan de rest van de wereld. En eventjes werd er om haar gerouwd. Nu rest alleen nog een postzegel met haar beeltenis erop. Er is geen zaad, geen stukje bast, geen houtsnipper bewaard gebleven. En daarom zullen we zo nu en dan, als de tijd en het drukke moderne leven het toelaten, nog eventjes haar mooie verschijning op de tekening bewonderen en constateren: ‘You were one of a kind!’

Ode aan de Westelijke Zwarte Neushoorn (Diceros bicornis longipes)

Zie hoe lief ze daar staan, met hun lippen naar elkaar. Al wat ze aten: geen vlees. Enkel gebladerte. Dus vanwaar toch die vervaarlijke hoorns? 

Ze leefden op de Sahara van Afrika: de neushoorns met wel liefst twee hoorns. Alsof ze hun lot al voorvoelden, hadden zij zich tot de sterkste van alle neushoorns geëvolueerd. Maar nog geen honderd hoorns zouden hen hebben kunnen redden van de wrede mens die in een oneerlijke en laffe strijd met een jachtgeweer een einde maakte aan het leven van deze prachtige wezens. En waarom?

Tja: een medicijnman heeft ooit in een ver verleden medicinale krachten toegewezen aan hun edele verhoornde delen. En als je ergens een medicinale kracht aan toewijst, dan valt er geld te verdienen. En geld is macht. Zo simpel ligt dat bij de menselijke soort. Ooit zal dat haar ondergang betekenen. Want de mens, ik kan het niet vaak genoeg herhalen, is de enige soort die zichzelf willens en wetens berooft van een gezonde habitat. Wij vervuilen ons eigen nest zo, dat we daar waarschijnlijk aan ten onder zullen gaan. Zo zie je maar weer: onze hersencapaciteit, waar we zo prat op gaan en die ons volgens onszelf zo boven de rest van de dierenwereld doet uitstijgen, is tegelijkertijd onze grootste vijand. En dat is dom. Oliedom. 

Maar daar had ik het niet over. Dit zou een ode worden aan de dubbele neushoorn.

Ik voel plaatsvervangende woede en machteloosheid, omdat zij werden afgeslacht zonder zichzelf te kunnen verdedigen. Afgeslacht voor hoorns die in werkelijkheid geen enkele medicinale kracht bezaten; je reinste kwakzalverij. Het zal je maar overkomen: je tanden worden ten onrechte geneeskrachtig verklaard en voor je het weet is je hele soort uitgeroeid, omdat één exemplaar van een andere soort er stinkend rijk mee kon worden. Ik zou ‘m afschieten als ik kon, dat weet ik wel.

 

Hmmm

Enige tekst.